Ga naar de inhoud
Sander
Alle posts

· Zeilen · 8 min lezen

Eindelijk een zeilboot

Ik zeil al zo lang ik me kan herinneren. Vroeger zeilde ik veel meer, maar de laatste jaren bleef het vooral bij twee weken per zomer met mijn oom en af en toe een gehuurde Valk.

Al een jaar of vier kijk ik naar iets van mezelf. Een paar keer was ik er dichtbij, maar er was altijd een reden om het niet te doen.

Eerst keek ik vooral naar Valken en Randmeren. Mooie boten, maar tel je er een ligplaats, winterstalling en onderhoud bij op, dan was huren voor de paar dagen dat ik er echt mee zou varen een stuk logischer. Een trailerbare boot zou het meeste daarvan oplossen, alleen heb ik geen trekhaak.

Dus bleef ik kijken.

Langzaam uitvinden wat ik wilde

In de loop der jaren kwam zo’n beetje alles voorbij: Randmeren, Etaps, Clevers, Jouet Foxtrots en een lange lijst andere kleine boten.

Laatst ging ik bij een Lanaverre 17 kijken. Echt een leuk bootje, maar door het interieur ging ik opnieuw nadenken over wat ik eigenlijk zocht. Met mijn 1,92 m ging ik daar met geen mogelijkheid in slapen.

Als ik toch aan een vaste ligplaats vastzat, wilde ik iets waar ik minstens een weekend op kon blijven, en het liefst veel langer. Een plek om fatsoenlijk te slapen, wat te koken en genoeg spullen kwijt te kunnen om een week te verdwijnen. Weinig diepgang was nog een groot pluspunt, want er uiteindelijk het Wad mee op gaan hoort zeker bij het plan.

En zo kwam ik weer uit bij de Tonic 23.

Lang geleden zag ik er een in een haven op het oostelijke Wad en vond hem meteen mooi. Hij deed me denken aan de Fantasia 27 die mijn oom vroeger had, maar dan een maatje kleiner. Sindsdien heb ik opgeslagen zoekopdrachten lopen op Marktplaats en Kleinanzeigen. Ze zaten altijd boven wat ik wilde uitgeven, maar ik bleef toch kijken.

Op de terugweg van de Lanaverre zocht ik er weer een.

Dit keer stond er een op Facebook Marketplace die echt klopte.

Door de rommel heen kijken

De Tonic is gebouwd in 1991 en daarmee een van de latere exemplaren. Op papier vinkte hij bijna alles af wat ik in de loop der jaren had verzameld: een ophaalbare kiel, een strijkinstallatie voor de mast, een rolgenua, vier slaapplaatsen, een verrassend brede achterkooi, een spoelbak, kooktoestel, toilet en veel bergruimte voor een boot van 23 voet.

De buitenkant zag er ook opvallend goed uit. Geen zichtbare schade, geen scheuren rond de mast en geen tekenen van osmose. De ophaalbare kiel bewoog soepel, de genua zag er goed uit, het grootzeil was gebruikt maar prima bruikbaar en de Yamaha 8 pk tweetakt startte koud bij de eerste ruk.

Het interieur was een ander verhaal.

Het zag eruit alsof niemand het in jaren fatsoenlijk had schoongemaakt. Overal vuil, smerige bekleding, loshangende plafondbekleding en een flink aantal dubieuze oude toevoegingen.

Maar niets ervan leek echt op slijtage. In het toilet stond nog antivries, en de gasslang bleek van 1999 te zijn. Deze boot was niet zwaar gebruikt. Hij had vooral gewoon stilgelegen.

Daarom was hij ook betaalbaar. Ik had nog nooit een Tonic zo goedkoop gezien, en de staat van het interieur verklaarde het meeste. Maar bijna alles daarvan was schoon te maken of te vervangen, en daaronder leek de boot gezond.

De laatste horde was een plek vinden om hem te leggen. Een vaste ligplaats en alle kosten eromheen waren altijd een van de belangrijkste redenen geweest om geen boot te kopen. Toen ik een betaalbare plek in Workum had gevonden en had uitgerekend wat winterstalling en hijsen zouden kosten, klopte de som eindelijk goed genoeg.

Dus had ik, na jaren kijken, eindelijk een Tonic.

Hij heet L’Esprit. Ik weet nog niet of dat zo blijft.

Zes uur tweetakt

Twee dagen later haalden we hem op in Wergea en brachten we hem naar zijn nieuwe ligplaats in Workum, via het Sneekermeer, door Sneek en langs Heeg.

Er stond te weinig bruikbare wind om te zeilen, dus de Yamaha mocht al het werk doen. Zes uur en een liter of twintig benzine later kwamen we zonder problemen aan in Workum.

De motor zorgde er wel voor dat het niet bepaald een stille tocht was.

Zes uur aan de helmstok is ook lang genoeg om te merken dat bijna elke lijn die uit de mast komt in de verkeerde klem zat, op de verkeerde plek aan dek. Alles opnieuw leiden zoals ik het zelf wilde werd een van de eerste klussen.

Binnen opnieuw beginnen

Toen begon het echte werk: alles moest eruit.

Elk kussen, elk vloerdeel, elke losse kabel en elk stuk rommel dat eruit kon, ging eruit. Aan het eind stond er zo ongeveer een volle aanhanger met spullen naast de boot.

Alles onder de vloerdelen, de bilge, de romp en de kastjes werd schoongemaakt en de kussenhoezen gingen een keer goed in de was. Onderweg verdwenen wat schimmel, kapotte kranen en een twijfelachtige zelfbouw-acculader. Het kostte het grootste deel van een week, verdeeld over twee weekenden.

Constructief kwamen we geen nare verrassingen tegen. Eén ding viel wel op.

Achterin zat een gat in de romp, waarvan ik denk dat het de koelwateruitlaat was, die van de bun van de buitenboordmotor naar de spiegel liep. Wat het ook geweest is, er zat geen huiddoorvoer meer in. Gewoon een gat. Vraag me niet waarom of hoe. Een fatsoenlijke huiddoorvoer plaatsen ging meteen bovenaan de lijst, dus dat deel is nu in elk geval veilig en netjes.

De kookopstelling had zijn eigen geschiedenis. De originele opstelling was een vreemde blauwe tank met een brander er direct bovenop, zo verroest dat er niets meer aan te redden viel, dus die ging weg. Het gaskooktoestel dat er duidelijk later bij was gezet, kwam met die slang en drukregelaar uit 1999, dus die bleven ook niet lang. Voorlopig zitten er een nieuwe slang, een nieuwe drukregelaar en een wegwerpcilinder op, zodat ik überhaupt kon koken, maar inmiddels heb ik een Origo 3000 spirituskooktoestel gevonden om het gas helemaal te vervangen. Een spiritusbrander voelt voor mij een stuk beter dan een gasfles onder het kooktoestel.

Na het schoonmaken voelde het interieur al als een totaal andere boot. Er gingen wat borden, bestek, handdoeken en andere basisspullen aan boord, en ineens was het een plek waar ik echt kon koken en comfortabel kon overnachten. Vóór het schoonmaken wilde ik er niet langer dan een half uur zitten.

De grote klus die nog wacht is de plafondbekleding. Zoals bij veel boten uit deze tijd zit er in het interieur vinyl met een schuimrug. In de loop van tientallen jaren vergaat dat schuim langzaam tot poeder, waardoor het vinyl los komt te hangen. Het gewoon terugplakken lost weinig op, dus uiteindelijk moet het oude materiaal eruit, moeten het resterende schuim en de lijm weg en moet het interieur opnieuw bekleed worden.

Dat is duidelijk een winterklus.

Het water op

De volgende ochtend ging ik er echt mee varen: van Workum richting De Kuilart, om uiteindelijk in Heeg te overnachten.

Ik begon met vol tuig, wat voor de wind van die dag en in mijn eentje een beetje ambitieus was. Nadat ik het grootzeil had laten zakken en op de genua verder ging, werd alles een stuk ontspannener.

En het ding loopt.

Ik zag 6,1 knopen ruime wind met beide zeilen op, en rond de 5,3 tot 5,4 knopen aan de wind op alleen de genua. Hij hield de Fox 22’s om me heen moeiteloos bij en voelde in golven veel stabieler dan ik verwachtte. De kuip is ruim, hij reageert snel en in je eentje manoeuvreren gaat prima als je eenmaal gewend bent aan een buitenboordmotor.

De brede achterkooi doorstond ook de belangrijkste test: ik kan er echt in slapen. De ingebouwde dieselkachel was minder overtuigend. Hij slaat aan, draait een minuut of drie en geeft het dan op, wat een vrij koude nacht opleverde.

Een groeiende lijst

Die eerste tocht leverde vanzelf een lijstje op met dingen om te veranderen.

De reeflijn was te dik en liep steeds vast, dus die heb ik vervangen door 6 mm dubbelgevlochten polyester. Ik heb ook een windvaantje aan het stag gezet en een tijdelijke kraanlijn gemaakt van een stuk lijn en twee sluitingen, want de Tonic heeft er geen en de grootzeilval is niet altijd vrij om dat werk te doen. De zeilsleden vielen elke keer uit de mast als het zeil naar beneden kwam, dus voorlopig zit er een lijn gespannen tussen twee kikkers waar ze in terechtkomen. Een echte sledestopper in de juiste maat heb ik nog niet gevonden.

Belangrijker: door alleen te zeilen merkte ik hoe erg ik een stuurautomaat mis. Stootwillen en lijnen opbergen, naar de mast lopen, een broodje of een biertje pakken: het betekent allemaal de helmstok loslaten. Inmiddels heb ik een goedkope Simrad TP20 op de kop getikt die schijnt te haperen, dus die repareren en inbouwen is weer een project.

Voordat ik met de boot het Wad op ga, wil ik ook een fatsoenlijke dieptemeter, waarschijnlijk een transducer die door de romp heen meet. De elektra kan ook wel een complete opknapbeurt gebruiken. Het is simpel en niet bepaald netjes aangelegd, maar er zit zo weinig dat zelfs ik kan volgen wat er gebeurt. De accu’s moeten vervangen worden, de kachel moet nagekeken worden, en ik moet waarschijnlijk meteen mijn marifoonbewijs maar halen.

Er is nog genoeg te doen.

Maar voorlopig wil ik er vooral mee zeilen. Nog een paar tochten rond de Fluessen, misschien het IJsselmeer voor het einde van het seizoen, en dan kan hij het water uit voor antifouling en de grotere klussen.

Na vier jaar kijken naar totaal andere boten kwam ik uit bij de boot die ik al die tijd in de gaten hield.

En tot nu toe is het zo’n beetje precies wat ik zocht.

Meer lezen

Alle posts